Pastoor Jozef François

Jozef Francois
Ik ben gewijd op 6 juli 1968 door Mgr. Leonce-Albert Van Peteghem in de Sint-Baafskathedraal te Gent. In augustus 1968 werd ik benoemd tot priester-leraar aan het Sint-Aloysiuscollege te Ninove en tot voorlopig onderpastoor voor de weekendvieringen in de Sint-Amandusparochie te Iddergem

Na twee jaar dienst ben ik als Fideï Donum-priester vertrokken naar Congo om in Doruma een pedagogische humaniora voor meisjes te helpen uitbouwen. Teruggekomen in 1975 werd ik benoemd als medepastoor in de Sint-Gertrudisparochie te Wetteren. Op 2 april 1989 werd ik aangesteld als pastoor van Kalken en op 19 oktober 2003 tevens als pastoor van Wetteren- Overschelde.

Er zijn drie inspiratiebronnen die mijn priesterschap vorm en kleur hebben gegeven.

Ten eerste het HERDERSCHAP. Het is merkwaardig hoe in het Oude Testament de herder de figuur is die steeds Gods welbehagen wegdraagt. Abel als herder wordt verkozen boven zijn broer Kaïn. De aartsvaders - Abraham, de vader van het geloof, Isaak zijn zoon en Jakob zijn kleinzoon -  waren rondtrekkende herders. Mozes hoedt de schapen van zijn schoonvader en bereidt zich zo voor op de taak die Jahwe hem zal toevertrouwen om de Israëlieten te verlossen uit Egypte. Ook leiders als Jozua en koning David zijn echte herders. Psalm 23 is doortrokken van het herderschap. David geeft het koningschap gestalte op een herderlijke wijze. Tot slot treffen we in de profetische literatuur, vooral bij Ezechiël, prachtige hoofdstukken aan hoe God het herderschap invult. Daarop zal Jezus inspelen en het herderschap op zich toepassen met de woorden: ”Ik ben de goede Herder. Ik geef mijn leven voor mijn schapen. De schapen kennen mij en luisteren naar mijn stem”. Toch zou het verkeerd zijn weg te dromen in een pastorale romantiek. De profeten Jeremia en Jesaja zijn levendige getuigen van de lijdende dienaar in naam van de Heer. “Priester zijn” kan niet losgemaakt worden van het “herder zijn” in al zijn dimensies. Jezus van Nazareth zal er een unieke invulling aan geven. Hij, de Herder, moet er voor zorgen dat het zwakkere schaap tot zijn recht komt en niet overvleugeld wordt door de sterkere. Waar het nodig is zal Hij het lijden niet uit de weg gaan. Dit is het eerste ideaal dat ik mij voor ogen houd.

Een tweede inspiratiebron is de VERBONDSGEDACHTE. De heilsgeschiedenis van het Oud en Nieuw Testament kun je samenvatten met het woord “verbond”. Het verwijst naar verbondenheid op verschillende vlakken. Eerst en vooral met God die ons leven draagt. Vervolgens zijn we door ons doopsel verbonden als broers en zusters met elkaar omdat we kinderen zijn van de Vader. Tot slot onze verbondenheid met de schepping die zichtbaar moet zijn in ons respect voor de natuur en het leven. Dit verbond is gekenmerkt door een verbondsbelofte en een verbondseis. God belooft aan Abraham materiële dingen zoals een land en een volk, maar eist van Abraham dat hij steeds zal trouw zijn aan de Ene die hem geroepen heeft. Het is niet Abraham die God uitkiest maar God die Abraham roept met de hoop dat de geroepene in volle vrijheid op die roeping zal ingaan. Jezus actualiseert het Verbond met de instelling van de eucharistie op het Laatste Avondmaal. In het spoor van dit Nieuwe en altijddurende Verbond wil ik mijn “gezonden zijn” beleven.

Een laatste inspiratiebron is het MISSIONAIR karakter van mijn zending. Dit houdt in dat je geroepen en gezonden bent door God. Het is de bisschop, die je roeping bekrachtigt en de geroepene zendt.                                                                                            

 

Als pastoor omvat mijn opdracht drie taken.

Ten eerste de VERKONDIGING. In deze tijd krijg ik soms de indruk dat het beter zou zijn om over te gaan naar een eerste verkondiging, zoals in het begin van het christendom. Op een verhalende wijze worden mensen uitgenodigd om tot het geloof in Jezus, de Christus, te komen. Het heeft te maken met het aanbieden van een eerste ontmoeting met Jezus van Nazareth. Hij leert ons de Vader en de heilige Geest kennen. Pas later kan sprake zijn van verdieping van dat geloof. Deze laatste vorm van verkondiging noemen we catechese.                                        

Een tweede taak heeft te maken met het HEILIGEN van de gelovigen. Het omvat ons gebedsleven en de bediening van de sacramenten, die ontmoetingen zijn met de verrezen Heer.

Tenslotte volstaan voor een christen, volgens de Jakobusbrief, niet alleen woorden maar moet het ook zichtbaar zijn in daden. De brief propageert een christendom van de daad, gebaseerd op de beginselen van de Bergrede. Hier zitten we volop in een diaconale opdracht van de DIENSTBAARHEID. De nadruk valt op naastenliefde, goede werken en eerbied voor de arme.    

Ik probeer dus samen met de parochianen een oprechte navolging van de Heer te beleven in de kracht van de heilige Geest, tot lof van de Vader.

Wedesign door MultiMediaMakers